Aangeleerd gedrag

Categories Narcistische ouder0 Comments

Kind zijn van een narcistische of psychopathische ouder is desastreus, dat besef ik me nu achteraf. Ondanks dat ik veel heb bereikt en heb gedaan in mijn leven, heeft het m’n jeugd verneukt, letterlijk en figuurlijk. Op foto’s waar ik drie jaar oud ben kijk ik al volwassen en gespannen in de camera; in vechtershouding, klaar om de strijd aan te gaan. Foto’s waar ik lachend, ontspannen en leuk opsta zijn geschoten door andere familieleden. Maar de foto’s weggooien die mijn vader heeft genomen? Nee, dat kan ik niet. Dan zou ik een groot deel van mijn jeugd weggooien.

Thuis was er vaak ruzie. Over geld. Over het huis. Over de inrichting. Over andere familieleden. Over werknemers die werden afgedaan als niksnutten. Over nieuwe aankopen. Over cadeaus. Over het eten dat kennelijk wederom niet goed was. En over dingen waar wij als kinderen over moesten zwijgen tegenover de buitenwereld, zoals denkwijzes over anderen, oplichting, louche zaken met de Belastingdienst, de mazen in de wet waardoor je veel geld kan verdienen, hoe je anderen kan bedriegen. Mijn vader had daarbij met mij een aantal persoonlijke geheimen: misbruik en mishandeling. Dit was voor mij als kind dagelijkse kost, zo keek hij tegen de wereld aan. ‘Ik bestudeer en bestuur mensen zoals ik wil,’ zei hij wel eens. Ik kreeg nooit oprechte waardering voor mij als persoon, zelden voor mijn werk. Het was net alsof zij door mij heen keken, alsof ik er niet was.

Naar buiten toe werd er altijd mooi weer gespeeld. Of niet eens gespeeld, het was mooi weer – of het nou regende, donderde of hagelde. Een mechanisme nestelde zich als een sluipmoordenaar in mijn ziel.

Op school had ik veel ruzie. Op de basisschool al. En dan niet een beetje treiteren. Nee, als ik iemand drie keer had gewaarschuwd dat hij moest kappen met zijn of haar pesterijen en hij of zij luisterde niet, dan brak ik bijvoorbeeld haar arm. Een leraar vroeg mij toen waarom ik dat deed. ‘Omdat zij mij kwetst, dan heb ik het recht dit te doen.’ Ik was toen tien. Als ik dan thuiskwam, dan had ik het altijd fout gedaan. Werd ik geslagen, gepest of getrapt op school en ik sloeg terug, dan had ik naar de meester moeten stappen. Werd ik geslagen en ik stapte niet naar de meester, dan had ik over mij heen laten lopen en had ik terug moeten meppen. Omdat ik het thuis toch nooit goed kon doen hield ik zoveel mogelijk verborgen voor mijn ouders: de knokpartijen, dat ik gepest werd, ik ging vaak naar mijn vrienden toe in plaats van zij naar mij, dat ik dronken was geweest, dat ik rookte, dat ik wel eens drugs gebruikte, waar ik naartoe ging, vanaf mijn achttiende ook de rapportcijfers en lange tijd mijn seksualiteit. Thuis meldde ik vooral nietszeggende verhalen om ze tevreden te houden.

‘Hoe was het op school?’ Mijn antwoord was steevast: ‘Ja, goed. Ik ga zo naar werk.’ Of ik ging naar boven om te studeren met de muziek keihard aan, naar vrienden toe, naar de rugby – altijd weg, weg zijn. In essentie leefde ik in angst, ik kon niet zijn wie ik wilde zijn, terwijl ik naar buiten toe aangeleerd gedrag vertoonde. Als ik thuiskwam van de kroeg kon ik geruisloos het huis binnenkomen. Alsnog moest ik mij melden, maar ik was een meester geworden in dit soort geheimzinnige, stille, mysterieuze moves in het leven.

Macht
Die knokpartijen ebden door op de middelbare school. Op de Havo begon ik macht om mij heen te creëren. Ik wist de fijne kneepjes van het vak hoe mensen te isoleren, terwijl het er ogenschijnlijk uitzag dat ik terecht ergens boos om was. Ik kwam overal mee weg. Hoeveel ruiten er wel niet zijn gesneuveld, hoeveel automaten ik wel niet ingeslagen heb, hoeveel deuren ik wel niet vernield heb, hoeveel pc’s er zijn gecrasht: ik heb geen idee. Leraren en de rector waren sowieso vatbaar voor mijn puppy-ogen, als ze al ontdekten dat ik er weer achter zat of erbij betrokken was. De geraffineerde tactieken om de vandalistische praktijken te bewerkstelligen hadden wellicht ook iets aandoenlijks. Ik vind het nu vooral triest, maar het is wel verklaarbaar voor mij geworden: op die manier kon ik mijn hoofd leegmaken. Zoals ik dat ook met rugby en drank deed. De mening vanuit sommige vrienden dat ik niet moest klagen over mijn leven als miljonairszoon voedde indirect deze gedachte nog eens. Ik voelde als kind wel dat er gevoel was binnen andere gezinnen, maar ik had geen idee waarom ik dat daar wel had en thuis niet.

Ik ben nu drie jaar verder. De persoon die ik was geworden hoort niet meer bij mij. Dat wil voor mij zeggen: ik sta er niet meer achter hoe ik omging met mensen, hoe ik was als persoon, hoe ik communiceerde, wie ik gekwetst heb, hoe ik samenwerkte en deels ook wat voor werk ik maakte. In dat laatste zit een duidelijke kanttekening: datgene wat ikzelf aanging vond ik leuk, datgene wat mij aangereikt werd door mijn vader waardoor ik vaak wat zwart geld verdiende vond ik geen hol aan. Daar kan ik heel lang over piekeren, dimdammen, spijt van hebben en het terug willen draaien. Maar dat is voor mij geen oplossing. Hoe moeilijk soms ook, ik kijk nu iedere dag met een frisse blik naar de toekomst. Ik streef naar wat ik wil, tot in de kleine momentjes. Smaak, vrienden, gesprekken, communicatie, liefde, gevoel, seks, inrichting thuis, interesses, kennis, kunde, respect naar elkaar en voor elkaar, zelfontplooiing, ambities, passies, werk, levensvisie, emoties, gezichtsuitdrukkingen, kleding, hoe ik loop, waar ik van geniet, angsten, intuïtie, zelfvertrouwen, vertrouwen in de mens: alles is veranderd of is daarin in ieder geval in ontwikkeling, heeft een nieuwe interpretatie gekregen of is toegenomen met de snelheid van een TGV. Soms heb ik nog een terugval in dat oude aangeleerde gedrag, maar ik kan mijzelf nu in ieder geval temmen.

Die leeuw in me blijft in z’n hok en als ik hem moet uitlaten wandel ik vaak een uurtje door de stad. Dat voelt erg fijn. Mijn leven was een leugen, nu geniet ik van mijn leven met volle teugen.

www.wouterspringer.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *