Ik bestond en besta niet

Categories Narcistische ouder0 Comments

Hadden zij een oudere broer dan?” zie ik wel eens voorbijkomen als online reactie van iemand die via-via over mijn boek hoort. Typerend. Vroeger moest ik vaak uitleggen wie mijn broertje was, wie mijn zusjes waren en wie mijn ouders waren.

Ik werd doodgezwegen. Men had het niet over mij. Het gevoel dat je lucht bent, 28 jaar lang, is haast dodelijk beklemmend.

M’n niet veel voorkomende achternaam deed soms een lichtje branden bij mensen. “Aaah, jij bent een Springer!” Het is ook iets wat ik vroeger als kind vaak zei: “Ik ben niet belangrijk voor jullie.” Dit werd dan ten stelligste ontkend.

Twee jaar geleden opende familieleden en ik de gesprekken met elkaar. Ik bedoel: ik kreeg na een flinke tijd radiostilte weer contact met ooms, tantes, neefjes, nichtjes, achterooms, achtertantes en aangetrouwde familie daarvan. Zonder dat ik het zelf benoemde was één van de terugkerende onderwerpen: “Wouter, het ging zelden over jou. Dat valt achteraf op, op dat moment niet. Jij kon je prima in je eentje vermaken als kind.” Ja, dat was mijn veilige wereldje. Maar het begon mij te dagen: mijn bestaan, mijn identiteit, mijn er zijn én er mogen zijn als persoon werden ontkend. En áls het dan toch over mij ging, dan ging het over mijn slechte rapportcijfers, dat ik koppig en eigenwijs was, wat ik ‘fout’ deed en dat ik werk zocht in een sector waar weinig werk in te vinden is dan wel dat er geen cent in te verdienen zou zijn. Ik was niks en zou nooit wat worden. Wanneer ik wel werd genoemd? Wanneer mijn vader mij kon inzetten voor een videoklus. Dan was ik nuttig. Verder moest ik van alles, zoals excuses aanbieden wanneer ik op latere leeftijd weer eens het contact verbrak en het daarna weer herstelde. Ik was schuldig, ik was fout, ik was raar, ik was een probleemgeval. Afijn, leuk is anders, maar ik bestond dus toch een beetje.

Uit de kast
Toch hoopte ik tot aan mijn 28e dat de waardering, dat de erkenning en de oprechte trots die ouders normaliter uitspreken over al hun kinderen zou komen. Ik schrijf normaliter, want in mijn vriendenkring was dat veelal zo. Mijn vrienden konden veel verknallen – natuurlijk volgde op bepaalde acties straf – maar liefde, warmte, waardering en erkenning bleven aanwezig. Of iets werd zelfs verhuld met een grapje in plaats van straf. Ik zie dit genoemde viertal als een soort van stabiele factor, waarvan verwacht mag worden dat die er altijd is. Om nog een voorbeeld te noemen: toen ik uit de kast kwam, heb ik het mijn ouders als allerlaatste – na mijn vrienden, de rugbyclub, medestudenten – verteld. Ik was huiverig voor hun reactie. Vrienden deden dat af als dat ik me daar toch geen zorgen om hoefden te maken, ouders houden van hun kinderen. Klaar. Toen ik het eindelijk vertelde werd mijn seksualiteit door mijn vader afgedaan als “een onbegrijpelijke keuze waardoor ik apart moest douchen bij de rugby, vrienden zou verliezen, veel gepest zou worden en een enorm probleem voor de familie”. Mijn moeder had eerst nog verklaard echt van mij te houden, maar knikte nu ook stellig. Ja, dat was zo en moest zo. Ik voelde me zwaar klote, maar alom gesteund door iedereen buiten het gezin.

Laatst sprak ik mijn ex-vriendin. Tijdens die relatie kwam ik uit de kast. Vlak na dat hele gedoe blijken mijn ouders langs te zijn geweest bij haar ouders. Praten over Wouter. Mijn ex is benaderd na de relatie. Mijn ouders vonden het zo jammer dat de relatie uit was, we waren zo’n leuk stel en of er toch niet een mogelijkheid was dat de relatie weer aanging. Een half jaar later had ik een vriend. Samen met hem ben ik naar de begrafenis van mijn opa geweest. Veel familieleden begrepen toen pas dat ik homo ben: het was hen niet verteld. Ik kijk nog steeds dankbaar terug op deze relatie, maar het ging uit. Daarna kwam er een moment dat mijn moeder op mij afstapte toen ik bij mijn ouders langskwam. Zij had wel gezien dat mijn ex homo is. Wellicht drong het door dat ik echt homo ben, want ze vond het ook jammer dat ze geen oma van mijn kinderen kon worden. Ik keek haar vol ongeloof aan. En ja, een neef van mij was ook homo – was haar overtuiging. Ik ben toen maar weggelopen naar de pc toe en heb Spotify aangezet. “Krijg toch de tering”, dacht ik. Dat het idee van mij niet willen zien, het niet hebben over mij, wordt in het heden met social media dan zo dubbel, omdat ik mijn moeder zag reageren met leuke reacties. Wanneer ik beter haar woorden bekeek zag ik dat iedereen dat kon zeggen. Voor mijn idee miste er gevoel bij. Iets wat ik gemaakt heb en waar ik ontzettend trots op ben krijg ik ‘Leuk bedacht! X’ bij. Hoi, ik ben geen kind van tien meer. Ze mocht alles van mij mee krijgen, ik heb geen geheimen, maar ik reageerde al maanden nergens meer op. Mijn openheid is wellicht mijn grootste geheim. Maar bijten? Nee, ik bijt niet meer. Ik heb haar wel verwijderd van mijn Facebook-account: ik kon niet meer tegen haar reacties.

Zo’n ander struikelblok is dat mij nooit is verteld dat ik Joods ben. Christelijk opgevoed: we moesten naar de kerk, wel wat Joodse gebruiken gezien bij mijn oma, maar er is met geen woord over gerept. Alsof het een verboden onderwerp was moest ik daar op mijn 28e achterkomen. Dat is enerzijds mooi, vanwege het mooie Joodse geloof, maar ik had het als kind graag geweten. Enfin, structurele ontkenning en structureel verdoezelen, verduisteren, vernachelen en tegelijkertijd controleren van informatie dus. Door het gevoel van structurele ontkenning werd ik een enorme schreeuwer. Ik wilde zo graag dat anderen wel naar me luisterden, dat ik daar wel een gesprek met empathie en vertrouwen mee kon voeren, dat ik er mocht zijn, dat ik welkom was en dat ik me ook op m’n gemak mocht voelen. Het schreeuwende gedrag bestond uit zoveel mogelijk opvallen, dan wel ergens de aandacht mee opeisen. In later stadium raakte ik als het ware verslaafd om alles op sociale media te plempen wat ik allemaal wel niet deed. Enerzijds dacht ik toen: ik vind mijzelf ontzettend interessant, moet je eens zien. Anderzijds dacht ik toen: als ik niets van me laat weten, vergeten ook die mensen mij. Dan zien ook zij mij niet meer staan. Ik móet. Nu denk ik: laat mij maar mijzelf zijn. Daar is even weinig als veel mee gezegd. Soms is de vraag in mijn hoofd of ik één of twee psychopathische dan wel narcistische ouders heb gehad, maar ach: maakt dat uiteindelijk nu iets uit?

Nu nog moet ik oppassen voor een repeterend karakter dat ik zo graag wel wil bestaan. Het besef dat ik genoeg mensen om mij heen heb die van me houden zoals ik ben vindt langzaam z’n voedingsbodem.

Toch is die structurele ontkenning, in de lijn van dat ‘drijfzandgevoel’, een soort adder onder het gras.

Een slang die zo nu en dan nog z’n streken vertoont, die oude wonden openrijt, die exact de pijnpunten aantikt die mentaal extra pijnlijk zijn. Het repeterende karakter zit ‘m dan erin om te vervallen in oude leefschema’s en bijbehorende gedachten. Ik besef me na al die jaren dat mensen die geen empathie hebben er zelf geen oog voor hebben dat zulk gedrag, zulke uitspraken, anderen kwetsen. Dat het onbeschoft, onbedachtzaam en arrogant over kan komen. Zij beseffen zich niet wat zij aangericht hebben en als ze dat al doen, dan willen zij het niet beseffen. Mijn ouders matchen perfect zodoende. Ik ga echter niet meer op zoek naar verdere logica. En ik? Ik ben gewoon een vrijgezelle vent die het leven aan het ontdekken is. Heb daarin ontdekt dat ik dat prima zelf kan, met wat mensen om mij heen die ik zelf heb uitgezocht. Laat ik stellen dat ik er een neusje voor heb ontwikkeld om te signaleren of iemand oprecht is. Bij oprechte mensen besta ik wel. Daar hoef ik niet (voor) te vechten. Hoef ook geen zelfmedelijden te hebben, want mijn leven is wonderbaarlijk mooi nu en wordt alleen maar mooier.

www.wouterspringer.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *