Perfectie als uiting om te imponeren

Categories Narcistische ouder0 Comments

Mooi was die tijd, mooi was die zoon, mooi was die verenigde koepel die een gezin vormde, mooi was dat wat het leek. Even mooi als mijn broer, als mijn zussen, zeg ik nu in al mijn mooiheid: ook mooi zijn heeft een grens. Het zou niet moeten dat een kind mooi moet zijn voor zijn ouders, het zou zo mogen zijn dat een kind mooi kan zijn. Niet voor z’n ouders, niet voor de buitenwereld, maar voor zichzelf.

Lang, bijna te lang, hield een helderblauwe hemel – waarop zonlicht weerkaatste – stand boven mijn bestaan. In het licht zouden kinderen mogen schitteren. Wij glinsterden vooral. Als perfecte kinderen werden wij naar buiten toe gepresenteerd op een gouden dienblad, belegd met diamant en bloemen van de zaak. Wij glinsterden, door aangeleerd narcisme. Wij glinsterden, door te vechten. Wij glinsterden, door zelfbeschadiging. Wij glinsterden, door ons eigen eiland met gevaar voor eigen leven te verdedigen. Wij glinsterden, in eenvoud en eenzaamheid. Als glassplinters glinsterden we lijkwit weg in de tirannie die normaal was – waarvan akte op foto’s. En wie goed keek zag dat de diamanten van glas waren. Het was alsof gecommuniceerd werd: “Kijk eens, wij hébben kinderen.”

Centraal in ons bestaan stonden twee ouders, die typisch genoeg het centrum vormden van het universum. Lang had ik het idee op een station te staan waar treinen voorbij raasden, waar menig forens snel nog z’n trein pakte, waar geen tijd was voor een gesprek of een luisterend oor, waar nog snel een snelle hap naar binnen gewerkt kon worden.

Het moest allemaal snel, snel, snel. Men raasde, raaskalde in razernij alsmaar door. Ik raakte er opgefokt van, maar ik dacht dat het normaal was.

Ik zag twee ouders, die al ruziënd thuis vochten om een plekje, om aandacht en om iets van liefde te krijgen van de ander. Het dwingende karakter spatte er vanaf, waarop er meer afbrak dan dat het zoden aan de dijk zette. Relaties die ik had gingen er op kapot, ik overlaadde m’n partners alsof het scheppen waren waar ik zand op kon blijven kieperen. De scheppen bogen door. Ik veranderde langzaam naar iemand die ik niet meer herkende in de spiegel en m’n leven lag in puin. Ik wilde zo graag dood, dan was het allemaal maar voorbij. Gelukkig was er wederom een vader die hulp aanbood, en een moeder die luisterde. Later pas besefte ik dat een zoon die vertelt suïcidaal te zijn normaliter jankende ouders krijgt bij hem op de bank, maar dat er bij mijn ouders geen greintje emotie was te bekennen. “Dan ga je naar een psycholoog, je gaat wat leren over jezelf en dan komt het allemaal goed.” Gelukkig was er met mijn ouders niets mis, vonden zijzelf althans.

Duisternis
Totdat vanuit een geestelijke afstand de duisternis optrok. Dat ging in rap tempo. Met verwoede pogingen werd er alsnog van afstand geprobeerd om de glans op te poetsen, maar bij het besef dat ik zou doorzetten riep ik de hel over mijzelf af. Nu was er geen glans meer over, sterker nog: ik had met glas diepe kerven achtergelaten in de glans. Ik zou en moest nu terug de duisternis in. Het mocht niet wat ik deed, ik moest gestraft worden. Dat zou moeten gebeuren in Deventer, waar het einde van mijn leven reeds was voorbereid. “Opsluiten en niet meer loslaten.”

De maanden, de jaren, die daarna kwamen vulden zich met meedogenloos egocentrisme dat ik nog niet had meegemaakt.

Donald Duck
Ik had soms het idee gefrustreerde Donald Duckjes achter mij aan te hebben met donderwolken boven hun hoofdjes. Tegelijkertijd waren de lichten van anderen en mijn innerlijke licht al sterker dan alle donkerwolken bij elkaar. Soms veranderde zo’n Donald Duck voor een moment in een bijzonder duister figuur, maar z’n stem verdween al snel in de achterliggende leegte. De liefde, liefde voor mijzelf, begon de overhand te krijgen, en ik schoot kanonnen vol af. De opgelegde belemmeringen schudde ik als stof van mijn schouders af, waarna het velour weer blonk zodat het even zacht als knuffelbaar was.

Ik zag, herpakte, overzag en overwon. Vanuit de veilige wereld waarin ik nu leef, met helderblauwe lucht waarin ook anderen mogen schitteren, verbaas ik mij nog zelden over de onderontwikkelde wortels van mijn bestaan. Nu pas, na 31 jaar, zie ik in dat het gedrag voorspelbaar wordt wanneer de ander niet zoveel anders kan. Nu pas besef ik dat ik alles kan waarvan ik wil, waarbij ik streef naar, dat ik het kan. En er is niets of iemand meer in mijn omgeving die mij belemmert in opgelegde beperkingen. Want nu zijn de luchten oprecht helderblauw. In het leven van nu stroomt eerlijkheid, oprechtheid, lef en liefde gezamenlijk door de aderen van mijn bestaan. En het duurt niet lang meer vermoed ik eer andere bronnen ook hun weg hebben gevonden richting de golven van er voor elkaar kunnen zijn. Mijn leven is nu in ontwikkeling. En dat hoeft voor mij niet te stoppen, ik ben nog maar net begonnen.

 

 

www.wouterspringer.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *